In Nederland traint men vaak tekstbegrip met gebruikmaking van teksten met vragen: leerlingen bestuderen vooraf een tekst en beantwoorden vervolgens tekstafhankelijke vragen, waarbij de tekst raadpleegbaar blijft. Daarbij wordt doorgaans verondersteld dat wie een tekst vooraf intensief bestudeert, de vragen vaker correct beantwoordt.
In deze studie is de relatie tussen initiële tekstbestudering en antwoordscore nader onderzocht, onder 5-vwo-leerlingen, bij twee zakelijke teksten, met begripsvragen, via twee experimenten.
Experiment I onderzocht de mate waarin de beschikbaarheid van de tekst tijdens vraagbeantwoording de antwoordscore beïnvloedt, nadat deelnemers (N = 174) vooraf teksten intensief hadden bestudeerd.
Experiment II onderzocht in hoeverre de intensiteit van vooraf-tekstbestudering de antwoordscore beïnvloedt, als deelnemers (N = 398) bij de vragen de tekst kunnen raadplegen. Resultaten: in experiment I beantwoorden leerlingen die bij de vragen de tekst wél kunnen raadplegen, de vragen beduidend vaker correct dan leerlingen die deze niet kunnen raadplegen.
In experiment II kan niet worden aangetoond dat leerlingen die de tekst vooraf intensief bestuderen, hoger scoren dan leerlingen die de tekst vooraf minder of niet-intensief bestudeerden. Het antwoordproces wordt kennelijk niet zozeer beïnvloed door intensiteit van vooraf lezen, als wel door herlezen tijdens het antwoordproces.
De vraag is daarmee in hoeverre deze taak leerlingen ertoe traint zelfstandig een tekst te bestuderen.